‘Gemeente moet vooral niet bezuinigen op welzijn’

Bezuinig niet op welzijnsactiviteiten. Laat cliënten die weinig uren begeleiding en verzorging hebben ongemoeid. Anders zullen cliënten afglijden naar meer zorg, en zijn de gemeenten duurder uit. Dat blijkt uit een onderzoek van SGBO onder tien samenwerkende gemeenten in de regio Haaglanden.

Het onderzoek in de regio Haaglanden is gedaan onder bijna 11.000 cliënten met AWBZ-begeleiding of persoonlijke verzorging. De tien samenwerkende gemeenten, die opdracht hebben gegeven voor het onderzoek, gebruiken het onderzoek als nulmeting. Een vervolgmeting na de decentralisatie van begeleiding en zorgtaken kan dan de effecten en veranderingen duidelijk maken. Het onderzoek bestaat uit een vragenlijst en 75 interviews in de thuissituatie, waar vaak ook een Wmo-consulent bij aanwezig was. Een van de onderzoekers  is Cora Heijkoop.

Het doel van het onderzoek is de tien gemeenten handvatten te geven voor beleid. Wat moeten ze vooral niet doen bij de decentralisatie?

Heijkoop: ‘Niet bezuinigen op welzijn. De kansen voor gemeenten liggen vooral bij het ontwikkelen van verschillende vormen van dagbesteding voor cliënten in de wijk. Mensen moeten nu worden vervoerd naar de dagbesteding, met alle kosten en problemen die dat met zich meebrengt. Belangrijk is wel dat het imago van welzijnsinstellingen beter wordt. Sommige cliënten geven aan dat ze wel hebben geïnformeerd naar welzijnsactiviteiten, maar dat “het niks voorstelt” of “te duur” is. Vooral jongeren met een beperking willen graag met andere jongeren “iets doen”. Ze willen niet in specifieke groepen zitten. En verder moeten gemeenten niet denken dat je gespecialiseerde begeleiding kunt vervangen door vrijwilligers. Mensen met meervoudige problematiek of met een ggz-achtergrond zijn beperkt in staat om zelf hun netwerk te vergroten. Ze zitten met problemen die alleen een professional kan begeleiden.’

Wat moeten gemeenten vooral wel doen?

‘De indicatiestelling moet heel professioneel gedaan worden. Daarvoor moet je kennis hebben van de doelgroep. Zorgaanbieders hebben die kennis, maar je kunt je afvragen of zij moeten indiceren. De meeste Wmo-consulenten van de gemeenten hebben op dit moment niet de deskundigheid om álle (nieuwe) doelgroepen goed te indiceren. Dat is echt een aandachtspunt.  Een ander punt is ook de huidige overlapping van hulp en begeleiding vanuit de AWBZ, Wmo, Jeugdzorg en Werk en Inkomen. Wij kwamen dat vooral tegen bij gezinnen. Er kwamen verschillende hulpverleners over de vloer, maar de kern van het probleem en hoe die wordt aangepakt, was niet duidelijk.’

De rol van het welzijnswerk is belangrijk in de decentralisatie. Wat moeten welzijnsorganisaties doen?

‘Het klinkt afgezaagd, maar het aanbod moet beter aansluiten bij de behoefte van de nieuwe doelgroepen: ouderen, mensen met een beperking en mensen met psychische problematiek. Dat zal per wijk verschillen. Op dit moment kunnen mensen zich inschrijven op een bepaald aanbod. Welzijnsorganisaties zouden meer moeten kijken naar de nieuwe vraag. En onvermijdelijk zullen welzijnsprofessionals bijgeschoold moeten worden om in te kunnen spelen op deze nieuwe groepen. Ook kunnen welzijnsorganisaties deskundigheid van buiten inhuren voor het begeleiden van de activiteiten.’

Jullie adviseren dat cliënten met een minimaal aantal uren begeleiding ongemoeid worden gelaten in de decentralisatie. Zijn zij de grootste risicogroep?

‘Nee, dat denk ik niet. Als de weinige uren die cliënten hebben wegvallen, boek je geen enkele vooruitgang. Sterker, gemeenten zullen vermoedelijk duurder uit zijn omdat cliënten zullen afglijden en uiteindelijk meer zorg nodig hebben. Wel moeten gemeenten hun algemene voorzieningen meer toegankelijk maken voor nieuwe doelgroepen. Vaak zijn mensen met een beperking niet welkom bij sportverenigingen, cultuurorganisaties, in het koor en bij de dansles. Gemeenten kunnen gericht subsidies inzetten om dit soort algemene voorzieningen open te stellen.’

Het persoonsgebonden budget voorziet niet altijd de meest doeltreffende begeleiding, constateren de onderzoekers. Is er sprake van verspilling?

‘Dat zou ik niet willen zeggen. Het bleek uit de huisbezoeken dat vooral bij gezinnen met een pgb, er grote verschillen zijn in hoe de uren efficiënt worden ingezet. Van heel krap tot zo ruim, dat je je kunt afvragen of het nodig is. Er lijkt niet veel controle op de inzet van het pgb, daar zouden gemeenten misschien beter naar kunnen kijken. De ene cliënt is mondiger dan de ander. Wij zagen echt verschillen in hoe mensen begeleiding voor elkaar krijgen. Daar moet de gemeenten bij de indicatiestelling zeker alert op zijn. Het kan er ook toe leiden dat mensen dus te weinig begeleiding krijgen.’

Foto: ANP

Bron: www.zorgenwelzijn.nl